Verklarende woordenlijst:

 

Biodiversiteit: algemene verscheidenheid van leven op aarde, op het niveau van genen, soorten en ecosystemen, binnen een welbepaald gebied

Carapax: rugschild

Diapauze:  rusttoestand waarin het metabolisme en de ontwikkeling van het embryo bijna stilstaat, dikwijls in functie van de klimatologische omstandigheden.

Ideogram: zinnebeeldig schriftteken, begripteken

Invasief: (agressief) indringend

Lethargie: algehele onverschilligheid

Monotypisch: een geslacht in de biologie dat slechts uit 1 soort bestaat

Ocellen: oogvormige ronde vlekken

Petrogliefen: symbolen, afbeeldingen die in rotsen zijn gekerfd, gekrast. Rotstekeningen (petros =steen, glyphein=kerven)

Plastron: buikschild

Primaire wouden: ongeschonden, onontgonnen bossen

Reticulation: netwerk

Semi-aquatisch: zowel op land als in water levend

Secundaire wouden: wouden waar menselijke activiteit is of was (houtkap bv)

Door deze menselijke ingrepen is er:

-veel minder biodiversiteit

-snellere groei van bomen

-een kleiner aantal boomlagen

-een bosbodem die meer overwoekerd is (struiken, klimplanten) dan in primaire (of maagdelijke) wouden, door een grotere lichtinval

 

Seksueel diformisme: het verschil in uiterlijk tussen mannetjes en vrouwtjes.

Sympatrisch: samen voorkomend in hetzelfde gebied

Tubercels: knobbeltjes, wratachtige vergroeiingen

xenofiet: weinig water nodig hebbend